Appèl (fragment)

Comité Invisible

Voorwoord van de vertaler: De tekst “l’appel” (Het appèl, de oproep) verscheen in 2004 van de hand van het anonieme collectief ‘Comité invisible’, auteurs van onder andere de beruchte tekst “The coming insurrection” en volgens de Franse politie voormalige leden van het radicale blad Tiqqun. De tekst bestaat uit 7 proposities en hun uitwerkingen en biedt een scherpe kritiek op de culturele logica van de postmoderne maatschappelijke woestijn, inclusief haar ‘radicale’ en activistische milieus. Het communiseringsproject dat de auteurs voorstellen is er een van gelijktijdige opstand en de uitbouw van communes en nieuwe sociale relaties, van een onscheidbaar gemengde creatieve, positivistische impuls en een destructieve, negativistische impuls. De tekst biedt een verfrissend perspectief tegenover dode, muffe ‘militantisme’ dat wanhopig probeert de karkassen van de oude strijdvormen (de revolutionaire partij, vakbond, beweging, etc.) te reanimeren evenals het uitzichtloze ‘alternatieve’ moeras van tandloze subculturen en sociale centra. Het is in het bredere licht van de andere teksten in deze publicatie dat de fragmenten van deze tekst gelezen moeten worden. Niet als blauwdruk of instructiehandleiding, maar als stof tot nadenken, als lichtpunten in de mist die ons omringt.

Stelling I

Niets ontbreekt aan de complete triomf van de ‘beschaving’. Noch de politieke intimidatie, noch emotionele armoede. En ook niet de universele steriliteit. De woestijn kan niet langer groeien: ze is al overal. Maar ze kan altijd nog dieper gaan. Geconfronteerd met de overduidelijkheid van de catastrofe zijn er diegenen die verontwaardigd raken en diegenen die observeren, er zijn diegenen die klagen en diegenen die zich organiseren. Wij staan aan de kant van degenen die zich organiseren.

Scholium

Dit is een kreet. Dat wilt zeggen, ze richt zich aan iedereen die haar kan horen. We willen niets laten zien, niets beweren, niemand overtuigen. We willen beginnen met wat allang duidelijk is. Dit is geen zaak van logica of redeneringen. Wat duidelijk is, is wat waarneembaar is, het domein van de realiteit.

Er is een duidelijkheid rond iedere realiteit. Wat gemeenschappelijk is of wat dingen scheidt. Pas hierna wordt communicatie weer mogelijk, communicatie die niet langer voorondersteld is, maar die opgebouwd wordt.

En we hebben zo goed geleerd om dit netwerk van vanzelfsprekendheden waar we uit bestaan in twijfel te trekken, om het te vermijden, om het te verbergen, om het voor onszelf te houden. We hebben dit zo goed geleerd dat we de woorden niet kunnen vinden die we willen schreeuwen.

En wat betreft de sociale orde waaronder we leven, iedereen weet waar die uit bestaat: Empire staart ons recht in het gezicht. Een stervend sociaal systeem dat geen andere justificatie voor haar willekeur heeft dan haar absurde volhardendheid – haar seniele volhardendheid – om simpelweg rond te blijven hangen; dat de globale en nationale politie de vrije hand hebben om korte metten te maken met iedereen die niet in de pas loopt; dat ‘de beschaving’, dodelijk gewond in haar hart, niets meer tegenkomt behalve haar eigen limiet in de eindeloze oorlog die ze begonnen is; dat deze onstuimige vlucht, al bijna een eeuw oud, niks anders produceert behalve steeds frequentere rampen; dat het merendeel van de mensheid zich aan deze orde aanpast door zichzelf en anderen voor te liegen, door middel van cynisme, grof geweld of pillen – niemand kan deze dingen nog ontkennen.

En de sport die bestuit uit het eindeloos beschrijven van deze ramp, met een variërend niveau van verontwaardiging, is slechts een andere manier om te zeggen: “Zo zijn de dingen nu eenmaal”; Maar de schandaligheidsprijs gaat naar de journalistiek, naar al diegenen die iedere ochtend weer opnieuw pretenderen de bullshit te herontdekken die ze de dag daarvoor nog uitgebreid beschreven hadden.

Maar wat nog het meest verbazingwekkend is, op dit moment dan, is niet de arrogantie van Empire, maar de zwakheid van de tegenaanval. Alsof iedereen massaal verlamd is. Een massaverlamming die mensen soms laat roepen dat er ‘niks aan gedaan kan worden’ maar ze soms ook laat toegeven, als ze hiertoe geforceerd worden, dat er ‘zo veel gedaan moet worden’ – twee dingen die niet echt verschillen. En dan is er, aan de marge van deze verlamming, nog het ‘we moeten NU echt IETS doen, wat dan ook” van de activisten.

Seattle, Praag, Genoa, de strijd tegen GMO, de werkelozenbeweging; we hebben onze rol hierin gespeeld, we hebben partij gekozen in de conflicten van de afgelopen jaren; en uiteraard niet die van de (nu nog) buitenparlementaire coalitie van linksen van attac of de Negriistische antiglobalisten van de Tute Bianche. De folklore van de protesten amuseert ons niet langer. In het afgelopen decennium hebben we de stoffige monoloog van het Marxisme-Leninisme uit de monden van tieners gebraakt horen worden. We hebben het meest pure anarchisme zien proberen op te heffen wat het niet kon begrijpen. We hebben het meest langdradige economisme – dat van de vrienden van Le Monde Diplomatique – de nieuwe religie zien worden. En Negriisme zelf werpt zich op als het enige alternatief voor de intellectuele aftocht van globaal links.

Overal is het militantisme[a] teruggevallen op het oprichten van haar krakkemikkige constructies, haar deprimerende netwerken, tot ook die uitgeput raken. Het duurde niet meer dan 3 jaar voor de politie, vakbonden en informele bureaucratieën om de kortstondige antiglobaliseringsbeweging te ontmantelen. Om haar onder controle te brengen. Om haar op te delen in losse “deelstrijden”, ieder van hen even winstgevend als steriel. In deze tijden, van Davos tot Porto Alegre, van de Franse werkgeversfederatie medef tot de Franse CNT, wijzen kapitalisme en ‘antikapitalisme’ naar dezelfde afwezige horizon. Hetzelfde afgeknotte vooruitzicht om de ineenstorting te managen.

Tegenover deze dominante uitzichtloosheid vinden we niets anders dan slechts meer, even goed gevulde, troosteloosheid. Overal heerst hetzelfde infantiele idee van ‘geluk’. Dezelfde spastische machtsspelletjes. Dezelfde uitgebluste oppervlakkigheid. Dezelfde emotionele ongeletterdheid. Dezelfde woestijn.

Dit is het tijdperk van de woestijn, en deze woestijn verdiept zich als maar meer en meer. Dit is niet slechts poëtische beeldspraak, maar overduidelijk. Deze overduidelijkheid strekt zich uit over vele anderen. Vooral in haar breuk met al diegenen die protesteren, die hun afkeuren kenbaar maken, die door ratelen over de komende ineenstorting.

Degene die veroordeelt pleit zichzelf vrij.

Alles lijkt erop alsof links redenen voor revolte verzameld op dezelfde manier als een manager naar de middelen om te overheersen zoekt. Dat wil zeggen, met hetzelfde genoegen.

De woestijn is de progressieve ontvolking van verschillende werelden. De neiging die we onszelf eigen hebben gemaakt om te leven alsof dit niet onze planeet is. De woestijn bestaat uit de continue, massale en geprogrammeerde proletarisering van bevolkingen, net zoals ze de kop op steekt in de suburbs van Californie, waar de ellende precies ligt in het feit dat niemand anders haar lijkt te ervaren.

STELLING III

Diegenen die de urgentie van de situatie willen beantwoorden met de urgentie van hun reactie, dragen slechts bij aan de verstikking. Hun manier van interventie, van agitatie, is een reflectie van de rest van hun politiek. Voor ons bevrijd de urgentie van de situatie ons slechts van alle overwegingen omtrent de legaliteit of legitimiteit die al lang onhoudbaar zijn geworden. Dat het misschien een generatie duurt om een zegevierende revolutionaire beweging op te bouwen maakt ons niet bang. We denken hier met sereniteit over na. Net zoals we op serene wijze de criminele aard van ons bestaan, en van onze daden, erkennen.

Scholium

Wij zijn bekend met de verleidingen van het activisme.

De tegentoppen, de anti-ontruimingscampagnes, de No-Border kampen; de hele parade. De progressieve verspreiding van collectieven die reageren op dezelfde verspreiding van activiteit, die achter de ‘bewegingen’ aanlopen.

Het voelen van onze macht op een ad-hoc basis, maar tegen de prijs van het keer op keer terugkeren naar een onderliggende machteloosheid. Het betalen van een hoge prijs voor iedere campagne. Haar alle energie die we hebben laten opvreten. Om vervolgens naar de volgende te gaan, iedere keer meer buiten adem, iedere keer vermoeider, iedere keer meer terneergeslagen.

En, beetje bij beetje, worden we door onze eisen te stellen, door van alles aan te klagen, incapabel om te voelen wat de basis van ons engagement zou moeten zijn, de aard van de urgentie die door ons stroomt.

Activisme is de eerste reflex. Het standaard antwoord op de urgentie van de huidige situatie. De eeuwige mobilisatie in naam van de urgentie is waar onze overheden en bazen ons aan hebben laten wennen, zelfs wanneer we tegen hen vechten.

(..)

De activist wil overal tegelijk zijn. Ze gaat waar het ritme van de ineenstortende machine haar brengt. Overal brengt ze haar pragmatische innovatie met zich mee, de feestelijke energie van haar oppositie tegenover de catastrofe. Zonder twijfel krijgt de activist ‘dingen voor elkaar’. Maar ze wijdt zich nooit aan het overdenken van hoe ze dit doet. Hoe kunnen we concreet de uitbreiding van deze woestijn tegengaan, om bewoonbare werelden te scheppen, zonder te wachten?

Wij verlaten het activisme. Zonder te vergeten wat haar kracht geeft: een zekere aanwezigheid in de situatie. Een gemakkelijkheid van beweging daarbinnen. Een manier om de strijd in handen te nemen; niet vanuit een moreel of ideologisch oogpunt, maar vanuit een technisch en tactisch perspectief.

Het oude ‘militantisme’ biedt het tegenovergestelde voorbeeld. Er is iets fantastisch aan de onnozele militanten in diverse situaties. We herinneren ons een gebeurtenis in Genoa: ongeveer 50 militanten van de Trotskyistische Ligue Communiste Révolutionnaire zwaaiden met hun rode vlaggen, met opdruk “100% naar links”. Ze zijn bewegingsloos, tijdloos. Ze roepen hun vooraf goedgekeurde slogans, omringd door de peace-police. Ondertussen bevechten een aantal van ons, op een paar meter afstand, de rijen carabinieri, we gooien traangasgranaten terug, trekken het plaveisel open om stenen te verzamelen en maken Molotov cocktails uit flesjes uit de glasbak en benzine uit de achtergelaten Vespas. Als hen gevraagd wordt over ons te spreken babbelen de militanten over avonturiers, over dwaasheden. Hun excuus is dat ‘de condities nog niet rijp zijn’. We zeggen dat er niks ontbrak, dat alles daar was – alles behalve zij.

Wat we achter ons laten in het militantisme is deze afwezigheid in de situatie. Net zoals we de inconsistentie achterlaten waar het activisme deze situaties toe veroordeeld.

(..)

De huidige catastrofe is die van een wereld die actief onbewoonbaar wordt gemaakt. Een soort methodologische verwoesting van alles wat nog leefbaar was in de relaties van mensen onderling en met hun omgeving. Kapitalisme zou niet over de hele planeet getriomfeerd hebben kunnen zonder bepaalde machtstechnieken, voornaal politieke technieken – technieken met of zonder hulpmiddelen, gericht op lichamen of redeneertrends, erotisch of culinair, de disciplines en mechanismes van controle. De politieke technieken van het kapitalisme bestaan er eerst en vooral uit door alle toebehoren en hechtingen op te breken die een groep in staat stelt om tegelijkertijd de condities voor haar overleven en bestaan te produceren. Door menselijke gemeenschappen te scheiden van ontelbare zaken – van stenen en metalen, van planten en bomen met duizenden toepassingen, van spiritualiteit en wilde of getemde dieren, van medicijnen en psychoactieve middelen, van amuletten en machines, en al die andere zaken en wezens die samenleving met mensen.

Alle gemeenschap vernietigend, groepen lossnijdend van hun bestaansmiddelen en de kennis die daaraan vast zit: dit is de politieke rationaliteit die de oplegging van de commodity als bemiddelaar van iedere relatie dicteert. Net zoals het noodzakelijk was om de ‘heksen’ te liquideren – wat wilt zeggen, hun medische kennis evenals hun spiritualiteit – moeten vandaag de dag boeren hun mogelijkheid om hun eigen zaden te zaaien afwijzen om de greep van de multinationale agro-industrie te behouden.

Deze politieke technieken van het kapitalisme vinden hun maximale concentratiepunt in de hedendaagse metropolen. Metropolen zijn precies die arena waar, uiteindelijk, bijna niets overblijft om over te nemen. Een milieu waarin alles gedaan wordt zodat mensen nog slechts aan zichzelf kunnen relateren, creëert zichzelf slechts los van andere levensvormen en botst slechts tegen hen op of gebruikt ze zonder ze ooit echt te ontmoeten.

Op basis van deze scheiding, en om haar duurzaam te maken, zijn zelfs de meest kleine, twijfelachtige pogingen om buiten de commodity relaties te leven gecriminaliseerd. Het veld van de legaliteit is al lang hetzelfde als het veelvoud aan kettingen die ons leven onmogelijk maken – door loonarbeid of ‘freelancer’ te zijn, door liefdadigheidswerk of ‘militantisme’.

Tegelijkertijd wordt dit veld steeds onbewoonbaarder, alles wat kan bijdragen aan het realiseren van een echt, oprecht en vol leven is al lang gecriminaliseerd. Wanneer activisten claimen dat “geen mens illegaal is”, moeten we erkennen dat exact het tegendeel vandaag de dag het geval is: vandaag de dag is een volledig legaal bestaan een volledig onderworpen bestaan.

We zien belastingontwijking, zwart werk, handel met voorkennis, uitkeringsfraude, verduisteringen, vervalsing en andere oplichterspraktijken. Mensen reizen over de grens in baggage compartimenten of zonder ticket. Zwartrijden en ‘proletarisch winkelen’ zijn de dagelijkse praktijken van duizenden in de metropolen. En dan is er nog de praktijk van de illegale handel in zaden die flink wat plantensoorten gered heeft. Het aantal functionele illegaliteiten in de kapitalistische wereld is bijna oneindig. Sommigen worden getolereerd, anderen zelfs aangemoedigd en weer anderen zwaar gestraft. Een geïmproviseerde groentetuin op een stuk braakliggend terrein wordt naar alle waarschijnlijkheid platgewalst door een bulldozer nog voor haar eerste oogst.

Als we alle speciale wetten en uitzonderingsregels bij elkaar optellen die alle ruimtes waar iemand in een dag doorheen kan reizen reguleren, dan is er niet een leven wat er ongeschonden uitkomt. Wetten, codes en juridische besluiten bestaan die ieder leven strafbaar maken; het is slechts een kwestie van deze tot op de letter nauwkeurig opvolgen.

Wij zijn niet bereid om in te zetten op de kans dat daar waar de woestijn groeit, er ook iets groeit wat ons kan redden. Niks kan slagen wat niet begint met een breuk met alles wat deze woestijn laat groeien.

We weten dat het opbouwen van een kracht van enige noemenswaardige grootte tijd zal kosten. Er zijn veel dingen die we niet langer kunnen. Sterker nog, diegenen van ons die profiteren van de modernisering en de opleidingen die in onze ontwikkelde landen uitgedeeld worden weten amper nog hoe we zelf iets moeten maken. Zelfs planten bij elkaar rapen om te koken of voor medicinaal gebruik – in plaats van als decoratie op tafel – wordt op z’n best als archaïsch gezien, en op z’n slechtst als leuke hobby.

Wij maken een simpele observatie: iedereen heeft toegang tot een zekere kwantiteit aan middelen en kennis die tot hen komen door het simpele feit dat ze in deze landen van de oude wereld leven, en die kunnen we communiseren.

Het is geen kwestie van met of zonder geld leven, van ‘stelen’ of kopen, van werken of niet werken, maar hoe we het geld dat we hebben gebruiken om onze autonomie ten opzichte van het terrein van de ‘commodity’ vergroten. En als we ‘stelen’ verkiezen boven werken, of voor onszelf produceren boven stelen, dan is dat niet vanuit een verlangen naar puurheid. Dit is omdat de machtsstromen die parallel lopen aan de stromen van goederen, de subjectieve onderwerping die onze toegang tot overleven conditioneert, te duur zijn geworden.

Er zijn veel ongepaste manieren om uit te drukken wat wij voor ons zien: we willen ons niet terugtrekken op het platteland noch willen we ‘oude kennis’ hervinden en verzamelen. Als we al deze kennis bij elkaar zouden brengen, al deze technieken, en al de innovatie die we in het activisme vinden, zouden we nog steeds geen revolutionaire beweging krijgen. Het is een kwestie van tijdelijkheid. Het is een kwestie van het opbouwen van de voorwaarden waarop een offensief kan steunen zonder weg te vagen, van het opbouwen van de materiële solidariteit die ons in staat stelt om haar in stand te houden.

Wij zijn van mening dat er geen revolutie kan zijn zonder de opbouw van een gemeenschappelijke materiële macht. Wij zijn niet blind voor het anachronisme van deze veronderstelling. We weten dat het zowel te vroeg als te laat is, en daarom hebben we de tijd. Wij zijn gestopt met wachten.

Stelling V

Tegenover iedere morele vooringenomenheid, tegenover iedere drang naar puurheid, stellen we de collectieve uitbouw van een strategie. Alleen dat wat de toename van onze kracht belemmerd is slecht. Hieruit volgt dat economie en politiek niet langer gescheiden zaken zijn. Wij zijn niet bang om gangs te vormen en kunnen slechts lachen om diegenen die ons als criminelen willen afschilderen.

Scholium

In onze poging om te ontsnappen aan de condities van een bestaan dat ons verminkt, vonden we de kraakpanden; of beter gezegd, de internationale kraak scene. In deze constellatie van bezette plekken waar het, ondanks haar vele beperkingen, mogelijk is om te experimenteren met vormen van collectieve bijeenkomst buiten de kanalen van de controle, ervoeren we een toename in onze kracht. We hebben ons georganiseerd voor het elementaire overleven – ritselen, onteigeningen, collectief werk, gemeenschappelijke maaltijden, het delen van vaardigheden, gereedschap, liefde – en we vonden voren van politieke uitdrukking – concerten, demonstraties, directe actie, sabotage, flyers.

Maar we zagen, stukje bij beetje, onze omgeving verworden tot een milieu en van een milieu tot een scene. We zagen morele codes de uitwerking van een strategie vervangen. We zagen normen vastroesten, reputaties opkomen, metaforen functioneren, en alles werd zo voorspelbaar. Het collectieve avontuur verwerd tot een grimmig samenzijn. Een vijandige tolerantie omvatte alle relaties. We pasten ons aan. En uiteindelijk bleek dat wat we voor een tegen-wereld hielden niets meer te zijn dan een reflectie van de oude wereld: dezelfde spelletjes van persoonlijke valorisatie onder de diefstal, gevechten, politieke of radicale correctie – hetzelfde smerige liberalisme in het emotionele leven, dezelfde onzin over toegang en terrein, dezelfde scheiding tussen het dagelijks leven en het ‘politieke’, dezelfde identitaire paranoia. En voor de gelukkigsten, de luxe om periodiek hun lokale armoede te ontsnappen door haar ergens anders te introduceren.

We wijten deze zwakheden niet aan de kraakvorm zelf. We ontkennen haar niet en verlaten haar ook niet. We zeggen alleen dat kraken slechts weer wat zinnigs kan betekenen op voorwaarde dat we de basis van het delen waar we aan deelnemen verduidelijken. In het kraakpand is, net als overal, de collectieve creaties van een strategie het enige alternatief tegenover het terugtrekken in identiteit via de assimilatie of de getto.

Over het onderwerp van de strategie hebben we alle lessen geleerd van de tradities van de verslagenen. We herinneren ons het begin van de arbeidersbeweging. Deze lessen liggen ons nauw aan het hart.

Omdat datgene wat in haar initiële fase in de praktijk werd gebracht direct relateert aan hoe we leven, aan wat we vandaag de dag in de praktijk willen brengen. De opbouw van de kracht die de arbeidersbeweging zou gaan heten rustte eerst en vooral op het delen van criminele praktijken. De geheime stakingskassen, de sabotage, de geheime genootschappen, het klassengeweld, de eerste vormen van werkeloosheidsuitkeringen die te zien waren in het herwinnen van individuele helderheid, die uitgebouwd werden met het bewustzijn van hun illegale en antagonistische aard in het achterhoofd.

In de Verenigde Staten is de vermenging van de verschillende vormen van arbeidersorganisatie en de georganiseerde criminaliteit het meest tastbaar. De kracht van het Amerikaanse proletariaat aan het begin van het industriële tijdperk was afkomstig uit de ontwikkeling, vanuit de gemeenschap van arbeiders, van een destructieve kracht die terugsloeg tegen het Kapitaal, naast het bestaan van clandestiene solidariteit. De permanente omzetting van arbeider tot crimineel vroeg om systematische controle: de moraliserende houding tegenover iedere vorm van autonome organisatie. Alles wat voorbij de ideaal van de ‘eerlijke arbeider’ ging werd gemarginaliseerd als gangsterisme. Uiteindelijk bleef er niets over dan de maffia aan de ene kant en de vakbond aan de andere, beiden producten van deze wederkerige amputatie.

In Europa werd de integratie van de arbeidersorganisatie in het managementapparaat van de staat – het fundament van de sociaaldemocratie – betaald door het afwijzen van zelfs maar de kleinste mogelijkheid tot het veroorzaken van overlast. Ook hier was de opkomst van de arbeidersbeweging een kwestie van materiële solidariteit, van een dringende noodzaak tot communisme. De Maisons du Peuple waren de laatste toevluchtsoorden voor deze verwarring tussen de noodzaak tot onmiddellijke communisering en de strategische vereisten van een praktische implementatie van het revolutionaire proces. De arbeidersbeweging raakte verder en verder gescheiden in de ‘cooperatieve’ beweging, een economische niche afgescheiden van haar strategische raison d’être, en de politieke en vakbondsvormen die opereerden op het parlementaire terrein en dat van het co-management van de economie. Het is uit het loslaten van iedere pretentie tot afscheiding dat de absurditeit van ‘Links’ geboren werd. De climax wordt bereikt wanneer de vakbondsbonzen ieder gebruik van geweld afkeuren en luidkeels aankondigen, aan iedereen die het maar horen wilt, dat ze met de politie zullen samenwerken om de relschoppers aan te pakken. De recente toename van de politionele functies van de staat bewijst slechts dit: onze samenlevingen hebben alle mogelijkheid tot coherentie verloren. Ze zijn nog slechts in staat om hun onverbiddelijke ineenstorting te managen. Dat wil zeggen, om iedere re-consolidatie te voorkomen, om iedereen te verpulveren die zijn kop boven het maaiveld uit steekt. Iedereen die deserteert. Iedereen die de gesloten rijen breekt.

Maar er valt niets te doen. De toestand van het innerlijk verval van deze samenleving laat steeds meer barsten en breuken ontstaan. De continue uiterlijke renovatie doet hier niets aan af: werelden vormen zich in deze breuken. Kraakpanden, communes, groeperingen, barrios, allen proberen zichzelf te onttrekken aan de kapitalistische verwoesting. Vaker wel dan niet komen deze pogingen tot niets of sterven ze aan de autarkie, door een gebrek aan het vormen van contacten en de nodige solidariteitsbanden. En even vaak aan het gebrek zichzelf te zien als full-time partizanen in de Globale Burgeroorlog.

Maar al deze gepoogde re-consolidaties zijn niks vergeleken met de massale begeerte, het constant uitgestelde verlangen ‘to drop out’. Om te vertrekken. In tien jaar, tussen twee volkstellingen, zijn er honderdduizend mensen verdwenen in Groot-Brittannië. Ze zijn gaan liften, hebben een ticket gekocht, zijn de psychedelische wereld ingekropen of zijn ondergronds gegaan. Ze zijn uitgetreden. Ze zijn vertrokken. We zouden het fijn gevonden hebben, tijdens ons uittreden, om een plek gehad te hebben om elkaar weer terug te vinden, een kant om te kiezen, een pad om te volgen.

Velen die vertrekken, verdwalen. En komen nooit aan.

Onze strategie is daarom de volgende: om een serie desertiecentra op te zetten en te behouden, een serie afscheidingslocaties, een serie verzamelpunten. Voor degenen die vertrekken. Een serie plaatsen waar we kunnen ontsnappen aan de invloed van een civilisatie die zich de afgrond in stort.

Het is een kwestie van onszelf de middelen verschaffen, van het vinden van de methodes waarmee al deze vraagstukken beantwoord kunnen worden; vraagstukken die, wanneer los van elkaar gezien, ons tot depressie kunnen drijven. Hoe verlossen we onszelf van de afhankelijkheden die ons verzwakken? Hoe organiseren we onszelf zodat we niet langer hoeven te werken? Hoe vestigen we ons buiten de giftigheid van de metropolis zonder terug te vallen op een ‘terug naar de natuur’ impuls? Hoe stoppen we kerncentrales? Hoe zorgen we ervoor dat we niet gedwongen worden tot psychiatrische verpulvering wanneer een vriend gek wordt; of tot ruwe mechanistische geneeskunde wanneer ze ziek wordt? Hoe leven we samen zonder wederzijdse onderdrukking? Hoe gaan we om met de dood van een kameraad? Hoe vernietigen we Empire?

We kennen onze zwakheden: we zijn geboren en opgegroeid in gepacificeerde samenlevingen, afgesneden van elkaar. We hebben niet de mogelijkheid gehad om de kracht op te bouwen die momenten van intense collectieve confrontatie met zich mee brengen. Noch de kennis die hierbij komt kijken. We hebben samen een politiek inzicht te ontwikkelen. Een theoretische en praktische educatie.

Voor dit alles hebben we locaties nodig. Plekken waar we onszelf kunnen organiseren, waar we kunnen delen en de benodigde technieken kunnen ontwikkelen. Waar we kunnen leren handelen in alles wat nodig mocht blijken. Waar we samen kunnen werken. Mocht ze niet ieder politiek perspectief naast zich neer hebben gelegd, dan zouden de experimenten van Bauhaus, met al haar materialiseert en stijfheid, het idee opwerpen dat we plekken in ruimte-tijd voor onszelf kunnen opbouwen toegewijd aan de oerdracht van kennis en ervaring. De Black Panthers voorzagen zichzelf van zulke locaties, waar ze hun politiek-militaire capaciteit aan toevoegden, de tienduizenden gratis lunches die ze dagelijks uitdeelden en hun autonome pers. Ze vormden al snel zo’n tastbare bedreiging voor de macht dat de FBI erop uit gestuurd moest worden om ze af te slachten.

Iedereen die zichzelf opwerpt als een kracht weet dat ze partizanen worden in de globale ontwikkeling van vijandigheden. Het vraagstuk van of men gebruik moet maken van wat bekend staat als geweld, of haar moet afkeuren, komt niet op in een dergelijke partizaan. Pacifisme verschijnt hier slechts als supplementair wapen in dienst van Empire, naast de rangen van de oproerpolitie en journalisten. Wat ons bezig houdt zijn de condities van het asymmetrische conflict dat ons opgelegd wordt; we moeten nadenken over de manieren van verschijnen en verdwijnen geschikt voor al onze praktijken. De demonstratie, de openbare actie met open en blote gezichten, het ‘verontwaardigde protest’: dit zijn allemaal ongeschikte vormen voor de strijd tegen het huidige regime van de overheersing. Ze versterken haar vaker wel dan niet, haar voorziend van up-to-date informatie voor haar controlesystemen. Het lijkt sowieso verstandig, zeker gegeven het feit dat fragiele hedendaagse subjectiviteit zich zelfs uitstrekt tot onze leiders, om de materiële basis en structuren aan te vallen eerder dan de personen die haar van een gezicht voorzien. Dit is puur uit strategische overwegingen. We moeten ons daarom toeleggen op de operationele middelen van alle guerrilla’s: anonieme sabotage, onopgeiste acties, het gebruik van makkelijk te kopiëren middelen, gerichte tegenaanvallen.

Dit is geen moreel vraagstuk omtrent de manier waarop we onszelf voorzien van de middelen om te leven en strijden, maar een tactisch vraagstuk over de middelen waarvan we onszelf voorzien en de manier waarop we hen gebruiken.

“De uitdrukking van het kapitalisme in onze levens is verdriet”, zei een vriend ooit. Het punt is nu om de materiële condities op te bouwen voor een gedeelde ontvankelijkheid voor plezier.

Stelling VI

Enerzijds willen we communistisch leven; anderzijds willen we de anarchie verspreiden.

Scholium

Zoals wij het zien kan de opbouw van een echt communisme alleen de vorm aannemen van een verzameling van communiseringshandelingen, van het gemeenschappelijk van bepaalde ruimtes, van bepaalde apparaten, van bepaalde vormen van kennis.  Dat wilt zeggen, de uitbreiding van de manier van delen die zich aan deze zaken hecht. De opstand zelf is slechts een versneller, een bepalend moment in dit proces.

(..)

De omverwerping van het kapitalisme zal komen vanuit diegenen die in staat zijn om de condities voor andere vormen van relaties te creëren. Het communisme waarover we dus spreken is dus exact het tegenovergestelde van wat historisch ‘communisme’ wordt genoemd, wat niks dan het ‘socialisme’ was, een vorm van monopolistisch staatskapitalisme.

Communisme wordt niet gemaakt door de expansie van nieuwe productierelaties, maar door hun afschaffing.

 (..)

Vanuit alle kanten wijzen we de chantage af die ons dwingt te kiezen tussen het offensieve en het constructieve, tussen de negativiteit en de positiviteit, tussen leven en overleven, tussen oorlog en het dagelijks leven. Wij zullen hier niet op reageren. We begrijpen maar al te goed hoe dit ontledende alternatief alle bestaande collectiviteit opsplitst. Voor een kracht die die wordt ingezet, is het onmogelijk om te zeggen of de verwoesting van een machine die haar schaad een constructieve of offensieve kwestie is, of voedselkundige- of medische autonomie een handeling van oorlog of terugtrekking is. Er zijn omstandigheden, zoals tijdens een rel, waarin de capaciteit om onze kameraden te genezen onze mogelijkheid om te verwoesten aanzienlijk vergroot. Wie zal zeggen dat onszelf bewapenen geen onderdeel van de materiële opbouw van een collectiviteit is? Wanneer we overeenkomen tot een gemeenschappelijke strategie is er geen keuze tussen het offensief en de opbouw; overduidelijk bestaat er, in iedere situatie, datgene wat onze kracht doet toenemen en wat ons schaad, wat goed uitkomt en wat niet goed uitkomt. En wanneer we te weinig informatie hebben om op af te gaan, is er de discussie en, in het ergste geval, de gok.

In het algemeen zien wij niet hoe iets anders dan een kracht, een realiteit in staat om de totale ineenstorting van het kapitalisme te overleven, haar überhaupt kan aanvallen tot op het moment van deze ineenstorting.

Wanneer dat moment komt is het een kwestie van het naar onze hand zetten van de veralgemeende sociale ineenstorting, om een ineenstorting (zoals in Argentinië of  die van de Sovjet-Unie) om te vormen tot een revolutionaire situatie. Diegenen die pretenderen de materiële autonomie los te koppelen van de sabotage van de Imperiale machine, laten slechts zien dat ze geen van beiden willen.

 (..)

We moeten, zoals we eerder zeiden, onszelf organiseren op basis van onze behoeften – om tegelijk de collectieve vraagstukken van eten, slapen, denken, liefhebben, het coördineren van onze krachten vorm te geven – en om dit alles te zien als een gelegenheid in de oorlog tegen Empire.

Noten:

[a] – Noot van de vertaler: Militantisme is een van oorsprong Franse term die duidt op de ‘professionele activisten’ verbonden aan diverse politieke tradities (Trotskyisme, Maoisme, etc.) en de daarmee gepaard gaande houding.

Advertisements